Neige

6 Januari 2010



De besneeuwde velden zijn naar mij toe gekomen. De stad ligt verdoofd onder een deken sterrepoeder. Stralend wit, gedempt stil. De normaal zo lawaaiige auto's sjokken stapvoets; het gespin van hun laagdraaiende motoren verklettert in rondvliegend drab. De bomen komen eindelijk tot hun recht: wat een takken! Zo fijn en zovelen, nu goed zichtbaar in de avondnacht, tot de kleinste afsplitsing, wit wolgebrei van arm tot pink - fiere aftekeningen op de donkere achtergrond. Het park is verlaten. Natuur in haar zuiverste vorm in de boesem van de grote stad. Wij lopen, een moeder en haar twee jongen, ploeterend, schuivend. Sprakeloos van eerbied en bewondering; beschouwelijk.

De heemtuin in, het meertje langs. Een reiger maakt zijn ongenoegen hoorbaar, een menselijk wezen zoeft langlaufend voorbij. Het slanke gestalte verdwijnt gezwind uit het zicht, en het weidse gebied is weer van ons. We lopen, een moeder en haar twee jongen, ploeterend, schuiv