Emily in Paris

15 Oktober 2020



Emily in Paris

Moest ik nou wel of niet een review schrijven over Emily in Paris? De nieuwe serie op Netflix?
Te frivool, te jeugdig, te ‘influencer’, kortom: niets voor mijn lezers.
Ondertussen jeukten mijn vingers.
Want: Parijzenaars.

In mijn jonge jaren woonde ik daar jarenlang half, bij mijn favo nicht in Les Halles. Rue Coquillière om precies te zijn, pal in het centrum, tussen Louvre en Marais, Notre Dame, Beaubourg en die crazy fontein van Niki de Saint Phalle en die geweldige markt in de rue Montorgueil, die nu niet meer bestaat (wat nog wel bestaat is de pâtisserie Stohrer met die verrukkelijke puits d’ amour die ik zo verschrikkelijk mis). Eerst half in Grenoble, dan een intermezzo in het verre oosten, en daarna half in Amsterdam. Dat laatste lijkt overbodige details, maar nee.
Want de Parijzenaars.

Van import uit Grenoble zoals ik destijds was, moesten ze namelijk niets hebben. De Parijzenaar heeft een immense hekel aan de provincie moet u weten. Terwijl ze daar toch voor de volle 100% vandaan komen, gezien de oorspronkelijke bevolking al lang en breed is verjaagd door de vastgoedmaffia. Eenmaal uit Amsterdam komend werd ik met minder dedain aangesproken, wat ik al idioot vond. Tuurlijk had ik meer ervaring, maar in de kern was ik dezelfde meid. In Grenoble had ik op mijn 19de de prijs gewonnen van de beste dichteres van de stad. Ik was dus niet helemaal debiel of oninteressant. Maar daar ging het ze niet om. Mijn nichts vader was buitenland correspondent geweest voor de nationale omroep (New York, Libanon), en maakte cult documentaires, bijvoorbeeld over de Masai. Ik bevond me straal in het intelloculturele milieu. In zijn appartement was het een komen en gaan van bobo’s uit die sector. Ze discussieerden veel in de woonkamer. Ik maakte er een sport van om op dat moment op de dichtbijgelegen WC te gaan zitten met de Nouvel Obs op de knieën. Ik had namelijk ontdekt dat het bezoek altijd zogenaamd per toeval precies de thema’s uit dat blad aansneden als gespreksonderwerpen. In diezelfde volgorde. Ik kon derhalve elke keer met enge precisie voorspellen welk onderwerp zou volgen. Het miste nooit.
Ook sleepte mijn neef ons vaak naar lunches bij VIP-vrienden van hem, in adembenemende design huizen. Op zo’n gelegenheid werd ik eens aangesproken door een der gasten. Hij had vernomen dat ik uit Amsterdam kwam, vandaar. Hij bevroeg mij over Américain, waar ik nog nooit van had gehoord. Ik woonde maar net in Amsterdam, en cirkelde in kringen (ouwe Provo’s, krakers en veel aan lager wal geraakte lui) waar Américain nou net niet het soort etablissement van was. Die man staakte het gesprek acuut en bot. Hoe kon iemand zeggen in Amsterdam te wonen en Américain niet kennen? Dat ik omging met figuren die de jaren 60-revoluties (ja ook die van Parijs) mede hadden veroorzaakt, ging aan hem voorbij.

Een zus van me heeft daar ook een tijdje gewoond. Ze liep daar anorexia en een fikse verslaving aan tabak en heroīne op, waar ze nog jaren last van heeft gehad. Dat Parisiennes zich vol vretend mager weten te blijven, is een hardnekkige mythe. De Parisienne eet niet. Nooit. Ze rookt. En in de jaren 80 waren hard drugs absoluut salonfähig. Sterker nog: een regelrechte conditio sine qua non om mee te tellen.

Ja, die Parijzenaars, die had ik niet hoog in de achting. Ik heb dan ook nooit de minste behoefte gevoeld om me daar voltijds te vestigen, al had het mijn leven organisatorisch gezien stukken makkelijker, en comfortabeler, gemaakt, dan het debacle van de eerste jaren in Amsterdam, waar ik op de maatschappelijke ladder ben gekelderd.


In deze jongste eeuw begon ik aan mezelf en mijn afkeer van Parijzenaars te twijfelen. Aan die hele afkeer van de Zuidfransen voor diezelfde Parijzenaars ook. Want de Nederlanders delen die niet. In tegendeel, ze zijn ermee verrukt. Vriendinnen gaan er constant naar toe als was het de mooiste leukste plek ter wereld, en ze komen elke keer terug met de bolle ogen van de verliefdheid.
Ik was dus maar al te blij met Emily! Eindelijk bevestiging! Ik was niet gek! Die Parijzenaars waren inderdaad niet te pruimen. Precies, maar dan ook: precies zoals in mijn herinneringen. Hautain, hoogachtig, arrogant, kettingrokend, afkrakend, snob, modeslaven doch lelijk, navelstaarderig, geborneerd, en ook gewoon dom.

Ik geloof niet dat er een plek op de aardbol bestaat waar minder gelachen wordt dan in Parijs. Het heet dan ook niet voor niets Paris.









 

- Aanraders -