Goede doelen

5 November 2010



Lang geleden werden de goede doelen uitgevonden om arme sloebers in primitieve landen wat beschaving bij te brengen. Meestal door Christenen die onder het mom van vredelievendheid zieltjes hoopten te winnen als contraprestatie voor het boren van een waterput.
 
Nu zijn de goede doelen een industrie op zich. Het woord maffia ligt mij op de lippen bestorven. Een wereldje dat zichzelf in stand houdt op de rug van de nazaten van bovengenoemde sloebers. Er wordt er veel geld in omgezet. Komen die miljarden in klinkende munt in de mottige zakken van de zuidelijkste bedelaars? Neen. Ze spekken de credit cards van het bestuurlijke kader van die branche.
 
Ik heb het niet over de student die naast de Hema met zijn spaarpot staat te rammelen om u een aalmoes te ontlokken; nee. Dat zijn vrijwilligers. Die zijn nog jong, die geloven nog in de goedheid van de mens, en bovenal in de goedheid van de goede doelen, en dat geloof voedt hun drang om iets onbaatzuchtigs voor de medemens te doen. (Blijkbaar tellen moeders niet als medemensen, die achter dezelfde jongelui de rotzooi opruimen die ze op modieus nonchalante wijze laten slingeren, maar dit terzijde). Wie enorm door jullie worden gespekt, in jullie behoefte om altruïstisch bezig te zijn, dat zijn de bovenmodale kaderleden. Het wemelt ervan. Elke goededoelenorganisatie heeft zijn eigen legioen aan bestuurlijke krachten, die meer verdienen dan u en ik. Je ziet ze soms in het wild lopen: voor het merendeel knappe vrouwen van ergens in de 30 of 40, met pakjes van goede snit rond het lijf en Italiaanse kalfsleren pumps aan de voeten, een prachtappartement in een chique wijk, en twee beeldschone kinderen op een spierwitte school. Er ligt in de regel onafgebroken een beate glimlach op hun lippen. Ze zijn immers bezig met belangrijke, barmhartige zaken.
 
Er woedt een enorme competitiestrijd tussen al die goededoelenboeren. Een jaar of 10 geleden kreeg je als kind op de basisschool een keer per jaar een velletje postzegels waarmee je langs de deuren van de buren ging. Het handvol muntjes dat je daarmee verdiende leverde je de volgende dag op school in. Dat was het goede doel van het jaar. Anno 2010 wordt je spruit 8 keer per jaar geacht zich in te zetten voor een charitatieve actie, van elke keer een andere organisatie. 20 rondjes rond de school rennen, 40 keer de trap van het stadhuis op en neer, 5 km met een rugzak vol stenen, je kan het niet zo gek bedenken of ze komen ermee op de proppen. Elke keer wordt dat nutteloze gehannes gesponsord door ouders en familie. Waarbij cash uit den boze is: het kind moet de school een boekje vol emailadressen, telefoon-, bank- en sofinummers overhandigen, die de benefietinstituten verder gretig en voor grof geld aan de meest biedenden verpatsen. Als u mij niet gelooft moet u eens voor de grap een rare voorletter opgeven, zoals Q, of X. 10 tegen 1 dat deze binnen de kortste keren op uw ongewenste mailing prijkt.
 
Laatst liep er weer zo’n kudde 7-groepers langs mijn werk. Ze sjokten met rugzakken vol flessen spa, waarschijnlijk een actie voor water voor uitgedroogde kindjes uit de Sahara. Ik kreeg zo’n meelij met die zielepieten: ‘Leeg die flessen nou stiekem hier in de heg,’ fluisterde ik, ‘geen haan die daar naar kraait.’ Ze keken mij verontwaardigd aan, en liepen door met hun vrachtjes, in het heerlijke besef reusachtig bezig te zijn.