Weemoed

10 Februari 2008



Al ben ik nog niet zo verschrikkelijk oud, behalve in de ogen van mijn kinderen, ik heb toch herinneringen die, zeker vergeleken met die van mijn generatiegenoten uit Amsterdam, qua stijl appeleren aan langvervlogen tijden. Twee oorzaken. Ten eerste bij mijn aankomst in Amsterdam vertoefde ik het liefst met Provo's en Kabouters uit de generatie voor mij, die mij jarenlang hebben gevoed met verhalen uit hun verleden, dat ik als het mijne ging internaliseren. Zo maakte ik kennis met de vuilnisbakloze tijd. Een grote verrassing, dat je zonder vuilnisbak kon leven! Maar het kon heel goed, in een tijd wanneer er geen plastic werd gemaakt. Het schaarse voedsel werd tot de laatste kruimel opgegeten en verpakkingen... welke verpakkingen? werden verbrand in de kachel. Maar de mooiste weemoed heb ik cadeau gekregen van mijn eigen jeugd op een grond dat ver boven het maaiveld uitstak, waar moderne ontwikkelingen alsmede onderwijsgelden langzamer binnendruppelden dan in de rest van mijn welvarende en sociaal ingestelde land.

Zo moest ik in de tweede klas van de lagere school met een kroontjespen schrijven. Eens in de week had een leerling vuldienst. Je ging de klas rond met een plastic (dat wel) fles vol inkt die je in glazen inktpotten goot, genesteld in speciale gaten in elk van onze schrijftafels. Rekenen deden wij op een leisteen met een raar pennetje geklemd in een stalen houder. We droegen allemaal een stofjas, en er werden kinderen geschoren vanwege de luizen — al heb ik dat maar een keer meegemaakt, en dat betrof een meisje uit Algerije, maar dat heeft een enorme impact gehad op mijn beleveniswereld. Ik zie die kop telkens weer staan op oude schoolfoto's, en dit tezamen met de versleten schoenen van echt leer die iedereen blijkbaar droeg, de gestopte kouzen van wol, de brave maar koppige hoofden die wat onwennig in de lens kijken, de statige lerares die recht als een kaars naast het precies opgestelde hoopje pronkt, met haar medisch verantwoorde schroeisel en haar jaren-40 grijze of bruine rok, geeft het geheel een aanblik van eeuwen voordien. Op de foto's van mijn man uit dezelfde tijd in Amsterdam, zie je een kluwe onaangepaste langharige en ongekamde boefjes die over elkaar en het tot juf gebombardeerde pubermeisje heen buitelen van hysterische lol. Ze dragen, leerkracht incluis, broeken met wijde pijpen, strakke truien of bloemige hemden en... T-shirts. Wij in de bergen kenden noch het woord noch het verschijnsel. Ik weet nog heel goed dat mijn neef, die wel in de lage dus gewone wereld woonde, mij een keer in mijn arendsnest kwam leren dat er uit Amerika kledingstukken waren gekomen die je makkelijk kon opvouwen omdat ze als een T waren geknipt. We waren toen 10 en het duurde nog zeker 2 jaar voordat ik een T-shirt in het echt gewaar werd.

De grond om ons heen bleek vergeven van steenkool: her en der in het landschap staken grimmige skeletten de ijle lucht in, grote kranen met een voor mij nog steeds onbekende bedoeling. Daar omheen hadden zich in de loop der jaren op kosten van de regering huizen genesteld, grote rechttoe-rechtaan blokkendozen waar kinderen opgroeiden in grauwe proletarische armoe en ongekende vrijheid. In die huizen werd, ook op kosten van de regering, op kolen gestookt in fornuizen die de afmetingen hadden van een flinke keuken in een doorsnee Amsterdamse woning. Op die fornuizen werd gekookt, gesudderd, gebakken. Het verwarmde niet alleen de immense keukens tot sauna-achtige temperaturen maar ook de bovenverdiepingen door midden van een gat van 20 cm doorsnee in het plafond boven de haard. Ook mijn oma van moeders kant had zo'n fornuis. Eens per zoveel tijd deponeerde ze daar 3 of 4 loodzware ijzeren gevallen tot ze loeiheet waren. Ondertussen dekte ze de pontificale tafel met drie lagen van dik flaneel. Ze ging strijken.

Twee keer per week kwam de kolenboer langs. Je hoorde van ver de massale hoeven van zijn Percheron zwaar op het plaveisel van de straat klappen, en als het beest eindelijk te voorschijn kwam, hoog aan het begin van de steile hoofdstraat, met achter hem de grote boerekar die op zijn hielen drukte, geladen met juttenzakken vol kolen, met de kolenman altijd naast (niet op) hem die op de rem duwde, dan was het één grote grauwigheid die de helling af kwam. De kolenstof van jaren was in elk haar van paard en mens, in elke porie van levende of dode materie gedrongen en had het hele troepje geverfd in dezelfde grijszwarte plaksel.

Dat moet late jaren '60 zijn geweest. In Parijs of Marseille was het Jacques Tati dat de klok sloeg, modernisme alom, snoeken, eenden en andere auto's, vrachtwagens van Mercedes, hip volk in hippe levensfilmen. Een modernisme dat ons daarboven spoedig inhaalde. Men ging over op centrale verwarming en electrisch aangedreven machinerieën. Toen ik in mijn vroege volwassenheid het hoge land verruilde voor 's werelds megapolen liet ik geen desolate oubolligheid achter. En wanneer na jaren in Parijs en Tokio ik uiteindelijk voor Amsterdam koos, voelde dat al een duik van 20 jaar terug in de tijd. Amsterdam had in de vroege jaren tachtig iets van een ouderwetsheid die mijn streek allang had verloren. Hier stookte men nog op kachels, het vervoer ging op fietsen van oma's tijd, voedsel deed oostblokachtig aan. De hypermoderne denkbeelden en visionnaire mentaliteit van mijn nieuwe landgenoten bleken gekast in materie en gebruiken van een schilderachtig verleden. Dollemina's en homo's in een Anton Piek-achtige setting. Ik viel als een baksteen voor die gekke stad.

Nu een kwart eeuw later zijn de briljante ideeën verstompt tot Europese middelmatigheid, en globalistische architecten hebben de vrije hand gekregen om het straatbeeld te ontsieren. Kachels worden in elk huis knip-plak vervangen door ongezellige centrale verwarming. Huizen zijn flats geworden, met gezamenlijke portieken. De tafeltjes die bewoners van beletages op straat plachten neer te zetten om op mooie dagen te ontbijten zijn verdwenen. De straat is anoniem en kaal geworden, zoals in elke stad in elk Westers land. Ik lonk naar mijn moederland, dat een onevenredige ontwikkeling meemaakt. En ik rouw. En ik heb weemoed. Ik word oud.


.

- Aanraders -

Herkeuring

Johannes van Dam had er lovend over geschreven in Het Parool, en het bevond zich werkelijk om de hoek - ik had er naar toe kunnen zwemmen - dus besloot uwe Ouwe Zeikwijf het dunnetjes over te doen. Een herkeuring van Rosa & Rita dus. Er was plaats. Dat is op zich een wonder. Zodra een eetg...

(lees meer)

Lof der Loser

Ik kan het woord loser niet meer horen.Toen ik jong was en deze benaming nog niet uit de VS was overgewaaid, wemelde het van zulke types in Amsterdam. Het waren gezellige jongens en meisjes, mannen en vrouwen, en ook bejaarden, die niet voor de heb gingen, maar hun leven in het teken van relaxed en ...

(lees meer)

Plek

Er zijn plekken die indruk op je maken. Die je jaren bijblijven, die je wereld op zijn kop zetten. Ik herinner mij de boot van K., de aangename rotzooi, het dienblad vol wiet op tafel, de kachel die ronkte, het klotsen van het grachtenwater, de geur. De geur! Bij het binnenstappen greep hij je naar ...

(lees meer)

De Dood van Dr. Rat

Dr. Ratde punker des vaderlands is weer springlevend. Op 29 juni werd zijn dood herdacht, voornamelijk door de lancering van het jongste boek van journalist Martijn Haas die zich aan zijnbiografieheeft gewaagd, nadat hij vorig jaar een boek aan de knotsgekke kunstenaarsgroepering Stads Kunst Gueri...

(lees meer)

Deo Volente

Mijn oudste vriend D. is van adel. Hij heeft een naam van hier tot Tokio die hij uit nederigheid, praktische overweging, of zelfs luiheid, zo u wilt, op spijtige wijze afkort tot een hapklare en kapsonesloze brok.Zijn vader was psychiater en zijn moeder de eerste westerse boeddhist die ik ooit tegen...

(lees meer)

Kraken (1)

Ik heb volop meegedaan met dat kraken. In de vroege jaren ’80 was kraken voor jongeren ongeveer wat twitteren nu is. Het was mieters. Ik woonde in die tijd half in Parijs waar je ook kraakpanden had, maar die waren zo erg dat je wel desperaat moest zijn wilde je je daar naar toe b...

(lees meer)

De Reagering (1)

Woord vooraf van de Nurksredactie: In 1982 deed de Reagering mee aan de gemeenteraadsverkiezingen van Amsterdam. Lijsttrekker van de Reagering was Mike von Bibikov, een ex-reclameman met een charisma waarmee je doden kon wekken. Gewapend met een klappertjespistool en een megafoon overrompelde hij A...

(lees meer)

Zwerver

Het is berekoud buiten. Daklozen worden onder dwang van de straat gehaald. Het doet mij denken aan de tijd dat ik op straat sliep, en dat een scharrel van me 's nachts stierf in de vrieskou. Hij was jong, in de twintig, en kerngezond. Sliep waar hij kon, net als ik. Die nacht was zijn keuze geval...

(lees meer)

De Oprichting van Provo

SERIE GESPREKKEN MET ROBERT JASPER GROOTVELD Vraagstelling: Oud Zeikwijf Opmerkingen: Thea Keizer, vrouw van Jasper 1992 INLEIDING Op een avond dathaar vriend en mentor Robert Jasper Grootveldop de preekstoel zat bij haar thuis nam Oud Zeikwijf de bandrecorder ter hand en nam het ge...

(lees meer)