Spraakverwarring

5 Maart 2014




Toen ik in het tweede jaar van mijn tweede studie zat, werd ik door een docent aangemoedigd mee te doen aan het prestigieuze concours "International Contest for Outstanding Students of the Japanese Language". Nooit gehinderd door zelfonderschatting toog ik spoedig naar de Laan van Dinges te 's-Gravenhage, alwaar het concours plaats vond, in de statige villa van de Japanse ambassade.

In de wachtkamer begreep ik de omvang van mijn overmoed. Alle aanwezigen zaten in het laatste jaar van hun studie. Ze keken meewarig naar mij, die driftig doorging met wat zij de hele reis had gedaan: Japanse karakters in mijn hoofd stampen. Ik nam altijd overal mee een zakschriftje vol met die rabiate dingen, die zo vreselijk zijn om te leren en des te makkelijk om te vergeten. Elke student Japans of desnoods Chinees (het Chinese schrift is makkelijker) zal dit beamen.
Ik zat daar dus ijverig te blokken, onder de neerbuigende blikken van mijn opponenten. Zij maakten daar zelfs opmerkingen over, zo van “Goshie, ben jij nog met karakters bezig? Dat doen we al lang niet meer hoor.” Na het schriftelijk onderdeel werden wij één voor één binnen geroepen.

Ik won.

Dat betekende dat ik voor drie weken naar Japan moest, als afgevaardigde van Nederland te midden van een bonte stoet studenten Japanologie uit de hele wereld. En dus mijn kleuter achter moest laten bij zijn stokoude vader, een figuur van de bovenste plank, zware alcoholist en notoire verwaarlozer van baby's.

Ik deed het toch.

Ik bleek eersteklas te vliegen. Eersteklas is altijd een onvoorstelbare luxe, maar JAL-eersteklas was een verhaal apart. Ongekend hightech comfort in die grijze vroege jaren negentig, met individuele schermpjes vol hoogstaand technisch kunst- en vliegwerk, dat voor de normale mens nog niet bestond. Hebt u de film Oblivion gezien? Dat werk. Ter vergelijking: in de economy waren er nog helemaal geen schermen zoals nu. Het lekkerste eten werd ons voorgeschoteld (kaviaar!), de duurste cognacs en champagnes (naar believen!), de stoel werd in een handomdraai een heus bed en we vlogen de snelste route: 11 uur, straal boven de Sovjet Unie. Wat een verschil met de 33 uur die het me elke keer kostte als ik die reis uit eigen zal betaalde.

Drie weken lang zouden we in diezelfde luxe ondergedompeld blijven. We kregen elke memorabele hoek van Japan te zien, vervoerd in speciale compartimenten van de shinkansen, de hogesnelheidstrein die al zestig jaar meermalen per dag zuid en noord Japan verbindt. Centimeters dik tapijt op de vloer, design long chairs spaarzaam gestrooid in een verder lege wagon. Je kon 360 graden draaien, languit liggend, zonder iemand aan te raken. Volgens mij hadden wij ook schermpjes, net als in het vliegtuig (wat destijds ongekend was en die ik er waarschijnlijk nu bij bedenk, met de achteruit werkende kracht van invulling van de realiteit). Dik tien jaar later probeerde ik diezelfde stoelen te boeken: mijn teleurstelling was groot bij het aanschouwen van wat de 'gewone' eersteklaszetels waren. Ze hadden voor ons blijkbaar een serie VIP-wagons gehuurd.

We verbleven in prachtige hotels in heel het land, aten de meest delicate cuisine, zagen de schoonste tempels, de vredigste zentuinen, de meest grandioze kastelen, de schattigste dorpjes, de grootste steden. Kregen colleges van hoge piefen, bezochten het Museum der Verschikkingen in Hiroshima (waar ik vertikte naar binnen te gaan), deden mee aan theeceremoniën (waar ik een hardnekkige hekel aan heb). Maar het aller, allerleukste, waren mijn medelaureaten.

Zij kwamen uit alle hoeken van de wereld. Elk land had het beste wat zij te bieden had op aanstormend Japanologisch gebied naar precies mijn coördinaten toegestuurd. Daar bevond ik me dus, te midden van jongeren uit de VS, Canada, China, Korea, Hawaï, Indonesië. Uit plekken waar ik nog nooit had gehoord: Tonga, Guam.... Een verdwaalde Griek en ik waren de enige twee Europeanen. Op bijzondere gelegenheden verschenen autochtonen uit historisch bewuste etniën in klederdracht, onder andere onze Mongoolse, wat elke keer een feest voor het oog was.

Binnen de kortste keren hadden twee groepen zich afgetekend: de Amerikanen, Tonganen, Canadezen, Hawaïanen klonterden samen. En ik hing rond met de Chinees, de Koreaan en de Rus. In de groep der Amerikanen zeg maar, waren ze bedreven in social kitsch en banaliteiten. Ze hingen aan de lippen van de dikke Tongaanse, die er de gewoonte op na hield iedereen die ze sprak liefkozend te strelen. Ik moest hier niets van hebben: de Amerikanen riepen dan dat het haar cultuur was om dat te doen. Ik riep dat het de mijne was om dat niet te doen. Zij zagen er ook allemaal hetzelfde uit, met hun spijkerbroeken, witte sportschoenen en dito sokken. Die laatste hielden ze ook onder een pak bij de formele gelegenheden aan. Iets waarvan Europeanen collectief en hartgrondig ieuwen. Wij, de groep der communisten om ons maar zo te noemen, zagen er naar verhouding een beetje shabby of apart uit, maar bezaten kritische geesten en hadden dientengevolge continu de slappe lach. Geen lachwekkender land dan dat der Japanners in een zo formeel mogelijke setting. We kwamen drie weken lang niet meer bij.

De Koreaanse had uitgevonden dat Japanners het credo “Don't disturb the peace” bezigden. Vanaf dat moment werd elke kleinigheid langs die meetlat gelegd. En hoe meer we probeerden de peace niet te disturben, hoe minder het lukte.

Voor het einde van de reis kregen de Koreaanse en ik ruzie, en de Chinese kon ik naderhand – in dat internetloos tijdperk - nooit meer bereiken. Maar de Rus en ik bleven vrienden. Hij werd een vooraanstaand Japanoloog en kwam mij af en toe bezoeken onderweg naar wetenschappelijke congressen. Bij één van die gelegenheden had hij twee collega's meegenomen. Hoogblonde Russinnen uit Sint-Petersburg, niet spleetogige Aziaten uit Wladiwostok (laat dit beeld op u inwerken, komt zo van pas). We besloten het Van Goghmuseum aan te doen. Zo stonden wij dus, een Nederlandse Française en drie Russen, Japans (immers de enige taal die we gemeen hadden) met elkaar te babbelen in het Van Goghmuseum, dat die dag – toevallig of gewoonlijk – tjokvol Japanners stond. Eerst liepen ze nietsvermoedend langs, verveeld kijkend op één der verplichte stoppen van hun razendsnelle Europatrip. Dan stonden ze even stil: “Hoorden zij het goed? Was dat Japans?”. Vervolgens porden ze elkaar: kijk nou, vier gaijins die Japans praten met elkaar... Hoe kan dat nou?

Nooit in mijn leven heb ik mensen zo raar zien kijken.


[Op Sargasso en Nurks gepubliceerd]

- Aanraders -

Lange tanden

Toen ik een kwart eeuw geleden in Amsterdam aanbelandde zag het straatbeeld er anders uit. Je had wel wat Chinezen en Surinamers en een enkele verdwaalde Ghanees, maar dat was het een beetje. Voor de rest zag ik enkel oer-Nederlanders. Ze maakten veel indruk op me. Ze waren stuk voor stuk enorm lan...

(lees meer)

De Luizen

Een rode draad in de zelf die ik in mijn jeugd was, betreft het opnieuw uitvinden van het wiel. Niets nam ik zomaar aan. Alles moest door mijzelf opnieuw ondervonden en getest worden. Ik moest er in persona achter komen of de door de generaties voor mij, door de mensheid zelfs, gebod...

(lees meer)

De JR van de streek #2

Hoe het met de JR van de streek verliep heb ik verzuimd u mee te delen. Hij kreeg van de zomer een hersenbloeding: een propje bloedvet had zich naar zijn brein begeven en daar schade aangericht. Een tijdje was het ongewis, maar hij is een beer van een vent, dus herstelde. Met de Kerst zag...

(lees meer)

Les Aventures Extraordinaires d'Oud Zeikwijf

Je zou het niet zeggen nu de middelbare leeftijd kliko’s zand in de machinerie heeft gegooid, maar in de jaren tachtig was ik een temperamentje. Heden ten dage zou ik niet opvallen aangezien driekwart van de Amsterdamse meiden een GRRL-mentaliteit heeft om u tegen te zeggen, maar toen was ik...

(lees meer)

Wintersport

Een rokerig, zwaar gelambriseerd café in een luxe skioord, 30 jaar geleden. De indianen van de streek - oorspronkelijke bergdorpbewoners - erken je instinktmatig. Aan een tafel tweepubermeisjes. Eentje groot van postuur, hoogblond met een slavisch profiel, de ander klein en donker, zoals de mensen ...

(lees meer)

De Geboorte van Oud Zeikwijf

Het is bitter koud deze winter van '63-'64 hoog in de Alpen. “La bise” blaast onophoudelijk haar noordelijke adem over de bibberende bewoners van het plateau. Sneeuw is metershoog gevallen, reeds in november. Sinds Allerheiligen vriest het dat het kraakt. Je weet: de dooi zal met ...

(lees meer)

De JR van de streek

Max J. Molovich zei eens: "Maar, Oud Zeikwijf, begrijp ik nu dat je vader een in Suriname werkzame Brabander is?" Afgezien van het feit dat mijn vader noch een Brabander noch in Suriname werkzaam is, Molovich did hit the nail. Mijn vader zou inderdaad van het kaliber van een in Suriname werkzame ...

(lees meer)

The time is always now

Over de rant van duizendpoot Douglas Rushkoff inVPRO Tegenlicht / Backlight In zijn boekPresent ShockpleitRushkoff voor een herwaardering van het nu. Hij introduceert de twee soorten tijd die de oude Grieken kenden: dechronosen dekauros.Chronos= de strakke, meetkundige tijdlijn.Kauros= onze inn...

(lees meer)

La Garzuela

Over haar eigen moeder placht zij te zeggen: 'Zij was intelligent en lui.' Die moeder was de dochter van een armoedige en muzikale edelman uit de Bohemen, zelf had zij ook iets aristocratisch over zich, met het gitzwart haar, lelieblanke huid en hang naar het farniente. Zij sprak dr...

(lees meer)