Herrie

25 April 2010



Wat een zon! En dat op een zaterdag... Op naar het IJsselmeer, naar de dijk waar ik nog een klusje heb liggen, dat een winterlang wachtte op precies zo'n dag.

Vrolijk begin ik aan het uitladen van de spullen, het sjouwen van de zware materialen bovenop de uitgestrekte stenen rug. Het uitzicht is verbluffend. Een twintigtal zeilschepen toogt majestueus in de verte, hun vleugels uitgestrekt, smachtend naar een zuchtje wind. De lucht is ietwat heiig op een strak blauwe achtergrond. Zelfs het meer heeft haar moddergroene winterjas verwisseld voor een lentefris gewaad.

Ik plof uitgeput neer. Het echte werk moet nog beginnen. Maar hoe kan ik weerstand bidden aan zoveel schoons? Ik pak er het blikje bier bij dat ik meegenomen had voor de pauze. Na een paar slokjes leg ik het neer tussen de rotsen. Ik tuur naar de horizon. Wat een weelde. Een uitgestrektheid zomaar gratis en voor niets, in dit volgepropt en zakelijk landje. Ik voel me een met de zeilers: wij hebben dezelfde behoefte aan stilte, natuur en schoonheid. De golfen slaan tegen de stenen: kracht-rust, kracht-rust, kracht-rust, kracht-rust, kracht-rust... Een diepe tevredenheid daalt over me. Ik vouw mijn dikke jas en mijn trui als een matrasje. Ik lig achterover, de zon blaakt hysterisch in mijn ogen, dwars door mijn oogleden heen. Ik schuif mijn sjaal erover heen. Kracht-rust, kracht-rust, kracht-rust. Een meeuw roept een maatje "Nooo, Nooo". "Grappig" denk ik dan, "Normaal zeggen ze 'Iieuw Iieuw'". Een hommel humt hartstochtelijk. Ik soes.

Een klein geluidje tikkelt mijn rechteroor. Wat zou dat zijn? Mijn dommelende brein probeert met iets van logisch nadenken op de proppen te komen. Een vogeltje dat takjes zoekt voor zijn nest? Een konijntje? Een hondje? Nee... Een schaap natuurlijk! Schapen, die grazen op de dijk, dat is hun plek. Met een langzame beweging schuif ik de sjaal een stukje opzij en ja hoor: een schaap ruikt nieuwsgierig aan de meterslange strook dik rubber die even werkloos ligt te liggen. Een schaap? Nee... Twee, drie, vier... en verderop een tiental. Ik ga voorzichtig zitten zodat ze niet schrikken. Ze zijn heel dichtbij mij, maar omdat ik niets deed zijn ze niet bang. Ik kijk om me heen: de dijk is bezaaid met schapen. Alsof een schilder ze opeens neergepent heeft: hier een schaap, daar een schaap, op de groene dijk onder de blauwe lucht.

Dan is het gedaan met de rust. Een kudde motorrijders raast op de smalle weg langs de dijk. Zodra de kalmte weer heerst komt er nog een groepje, dat nog harder rijdt, met knallende motoren. Tussendoor is er amper tijd om het sacrale gevoel van zonet te hervinden. Ze zijn blij, de motorrijders, ze voelen zich vrij. Onderweg vergallen ze het leefplezier van de mensjes, maar dat deert ze niet. Alles is ondergeschikt aan het machtig gevoel dat het harde rijden in de natuur bij ze oproept. Ik begin me te ergeren. "Komen ze hier de rust verstoren! Alsof de stad niet druk genoeg is." Ik ben ondertussen aan het werk gegaan. Het is een fijne klus; ik ben in stilte bezig, normaliter zou ik van de pracht om me heen genieten. Maar de motoren! Het houdt niet op. Dan komt er een speedboot voor mijn neus cruisen. Heen en weer, heen en weer. Het IJsselmeer is niet groot genoeg voor hem: hij heeft haar zo doorkruist. In zijn snelheidsgekte verveelt hij zich nu: wat te doen? Als je zo snel gaat is de wereld te klein, is het leven te kort. Dus raast hij voor mij heen en weer, heen en weer, heen en weer. De zeilers zeilen hun stille tocht. Ook zij hebben last van de herrie, ook zij zijn gekomen voor de rust. De speedboot hoor je kilometers ver. Het geluid gaat door merg en been, het snijdt in je ziel, het belemmert het denken, het beschouwen. Ik begin hem hartgrondig te haten. Wie denkt hij dat hij is?