Fusioneel huwelijk

25 April 2013






Mijn buurvrouw Madeleine ging dood, anderhalve maand geleden. Zij woonde tegenover mij, al tientallen jaren, met haar man Daan, beeldend kunstenaar van beroep. Zij was huisvrouw: “Werken? Het lukt me niet eens om het hele huiswerk naar behoren te doen!” Waar ze gelijk in had. We werken allemaal naar hartenlust, maar de woningen verslonzen. Het huiswerk bungelt onderaan onze to-do-lijstjes.

Zij waren onafscheidelijk. Amsterdammer van geboorte, uit een rebels nest, verhuisden zijn ouders naar Brabant toen hij een puber was. Zo kwam hij op de Kunstacademie te Breda, waar hij in 1953 uitgeknikkerd werd, omdat hij met Madeleine hokte. Wat een schande is als u het mij vraagt. Dat uitknikkeren, niet dat hokken. Je verwacht van een kunstacademie dat ze kunstenaars opleiden voor het kunstenaarschap, niet waar? En kunstenaarschap, dat rijmt met vrije liefde, vrije seks, vrij drugsgebruik, vrije belastingsinterpretatie, vrije wat-u-maar-wilt. Ik zou maar oppassen voor de kunstenaars die uit Breda komen, als ik u was. Keurig nette lieden van onbesproken gedrag en dito kunst, verwacht ik zo. Maar terug naar Daan en Madeleine. Hokken konden zij, die twee. Zelden mensen zo zien hokken. Altijd saampjes, altijd binnen. In dat pikdonkere benedenwoninkie annex atelier in ons smalle straatje kunstwerkte hij en las zij de ganse dag: voornamelijk filosofie, uit alle windstreken. Zij was intelligent en belezen, en ik mocht ze graag, dus kwam ik er over de vloer tot ik zelf huwde. Op die gelegenheden zat ik met haar te kletsen, voornamelijk over de Chinese wijsgeren die ik in die tijd vertaalde uit het Klassiek Chinees, maar ook over het hele spectrum dat het leven heet en waar zij een heerlijk kritische kijk op had, op het cynische af.

Een tijdje hadden zij op mijn nr.1 gepast, toen ik als alleenstaande moeder in Leiden studeerde en elke dag van 7.30 tot 19 uur de deur uit was. We hadden ook weleens ruzie, hoor, dat hoort zo tussen buren. Bijvoorbeeld toen mijn kater verzot geraakte op hun poes en ik hem van Madeleine moest laten castreren, wat ik, morrend, deed. Mijn katertje vond dat echter zo'n breuk in de vertrouwensband dat hij het prompt smeerde om nooit meer terug te keren.

Vrijdagochtend liepen Daan en ik op hetzelfde moment onze deuren uit. Hij fris geschoren en vers gekapt, met een vrolijke uitstraling die ik hem al die jaren niet kende.
'Overleef je het?' vroeg ik voorzichtig voordat ik die uitstraling durfde te geloven.
'Gaat goed hoor.' antwoordde hij monter.
'Je bent net naar de kapper geweest! Staat je leuk man. Je bent toch niet op vrouwtjesjacht?'
'Nou, Madeleine zei altijd: als ik er niet meer ben...'
'...dan neem jij maar een ander!'
'Precies! Maar niet meteen hoor.'
'Juist, maar nu mag het toch wel? Op naar café's en zo!'
'Nou, ik probeerde er een paar gisteren, maar die waren zo saai dat ik weg ben gegaan.'

Dat krijg je als je van jongs af in een fusioneel huwelijk heb gezeten. Je weet simpelweg niet waar je moet zijn. D. was uit dat fusioneel huwelijk en wilde een nieuwe vrouw! Wie had dat ooit gedacht? Nix ineenstorten van verdriet. Ik werd hier heel blij van. Ik gaf hem een paar adressen waar hij passend ge